Joep
Joep.
Jaren geleden sprak ik op een verjaardagsfeestje met iemand over literatuur. Het ging over schrijvers en welke de voorkeur had. Op enig moment kwam Harry Mulisch aan de orde. Ik zei dat ik wel wat van hem had gelezen, maar dat niet meer deed omdat ik geen schrijvers las die ik onsympathiek vind. Mijn gespreksgenoot vond dit een erg vreemde argumentatie, waarop ik tegenwierp dat er zo veel boeken waren geschreven en ik dit wel een gemakkelijk argument vond om te selecteren wat ik wel en niet las. Onbegrip was mijn deel.
Hier wilde ik het eigenlijk helemaal niet over hebben, maar over waarom ik bij sommige mensen zo’n jeuk krijg dat ik hun schrijfsels weg leg, overschakel op een andere zender, verder blader in tijdschriften als ik heb tegenkom. Mijn top drie bestaat uit Joep van ’t Hek, Joost Zwagerman en Heleen van Royen. Ik weet niet wat het is maar bij elk van hen krijg ik een spontane allergische reactie, waarvan ik moeilijk kan verklaren waar hij vandaan komt.
Toen ik een verjaarscadeau van een vriendin kreeg met de verzamelde columns van Joep van ’t Hek had ik niet de beleefdheid haar vriendelijk te bedanken, maar vroeg gelijk om het bonnetje om het te ruilen (overigens wellicht ook ingegeven door het feit dat mijn geliefde wel erg had moest lachen na het uitpakken van dit cadeau). Lastig is het te verklaren waarom ik zo’n hekel heb aan Joep.
Op zich lijkt er niet zo veel mis met de man. OK, hij ziet er niet uit, is niet grappig, schrijft beroerd, maar dat is nog niet iets om een hekel aan hem te hebben. Bij alles wat de man doet of zegt, begint de jeuk. Ik heb het gevoel alsof ik hem nog begrijp ook: het is een mannetje die als enige in een welgesteld gezin er niet in slaagt te aarden met zijn klasgenootjes in ’t Gooi noch de opleiding af te ronden, zoals dit in de familie gebruikelijk is. Dit in tegenstelling tot zijn broers. Dit frustreert hem zo dat hij een uitweg moet vinden. Hij maakt grappen over Buckler-drinkende, hockey spelende kakkers en dit wordt nog grappig gevonden ook. Hij maakt carrière als cabaretier, wordt bekende Nederlander omdat hij de gewone Nederlander begrijpt.
Dit alles verklaart mijn jeuk echter niet. Waarom vind ik het vreselijk als ik hoor dat de man tegen Hans Dorresteijn zegt dat hij toch maar mooi een prachtige vrouw heeft? Waarom krommen mijn tenen als de man zegt dat hij zich niet voorstaat op liefdadigheid, maar dat het klopt dat hij een miljoen aan een of ander goed doel heeft gegeven? Waarom lees ik zijn column stiekem in de VARA-gids en verhoogt mijn bloeddruk als hij weer afsluit met een vraag die hij vervolgens zelf beantwoord?
Waarom ik deze column geschreven heb? Omdat ik er zin in had.