Malloot

30-04-2014 17:16

Meestal houd ik mijn gedachten over opmerkelijk menselijk gedrag voor mij. Rare mensen met rare gedragseigenschappen brengen mij zelden meer dan een paar millimeter van mijn stuk. Ik vind dan ook dat de strapatsen van willekeurige voorbijgangers over het algemeen goed door mijn hersenen worden verwerkt, meestal overdag al. En heel soms heb ik nog een klein deel van mijn slaap nodig om bepaalde gebeurtenissen van mij weg te dromen, maar dan is het ook klaar. ’s Ochtends kan ik doorgaans met fris en vrolijk gemoed mijn draad weer oppakken en val ik verder niemand ergens mee lastig.

Gelukkig maak ik ook wel meer dan eens mee dat er onverwacht iets vrolijks gebeurt met een mens in mijn nabijheid. Ik weet bijvoorbeeld nog goed hoe ik, alweer jaren geleden, in een volle stadsbus zat met tegenover mij een in zichzelf gekeerde, als student verkleedde jongen. Nadat de dienstdoende buschauffeur zijn voertuig rustig tot stilstand had gebracht, met de uitgang precies voor een dikke lantaarnpaal op de stoep, spoedde de jongen zich snel en in diep gepeins door de geopende deur. De jongen miste niet en veroorzaakte een licht trillende lantaarnpaal met zijn in rap tempo nog suffer wordende kop. Pijnlijk voor hem, onuitwisbaar grappig voor mij en de andere busbewoners.

Als aandachtig lezer heb je natuurlijk al lang door waar dit spannende relaas zo ongeveer naar toe zal buigen. En het zal dan ook geen verrassing voor je zijn als ik dan direct maar toegeef dat je scherpe geest het ook deze keer weer bij het juiste eind heeft. Wat je nog niet kunt weten is welk voorval, of eigenlijk welke twee voorvallen mij vandaag tot schrijven hebben aangezet.

Zoals ik al vertelde verteer ik kleine intermenselijke irritaties gewoon overdag of anders benut ik een stukje van de nacht als het echt niet wil lukken. Het komt niet vaak voor, maar vandaag was het weer eens zover dat de mentale impact te groot was voor mijn rustig kwispelende hersenpan. Voor aanvang van een dag op kantoor wist ik al dat ik na mijn werk e.e.a. direct van mij af zou moeten gaan schrijven. Nog voordat ik vannacht semi-wakker zou gaan liggen woelen en draaien in een lichte schijnslaap.

Het begon allemaal vanochtend op mijn korte fietstochtje naar de trein. Ik was bezig een jonge ‚twee onder een kap’-man in te halen en dacht dat hij aan het praten was tegen zijn kind in het fietsstoeltje voor hem aan het stuur. Toen ik hem echter passeerde, zag ik dat het stoeltje leeg was. Wat bleek, de jongeman was lekker onbevangen aan het bellen zonder dat hij een telefoontoestel in de buurt van zijn oor hield. Had ie mij even tuk! 

Waarschijnlijk was ik nog niet helemaal wakker. Ik merkte in ieder geval niets van een lichte irritatie. Maar onheil en storend bellende medemensen komen zelden alleen. Een klein uurtje later namelijk hoorde ik tijdens het verlaten van mijn volle trein een zware basstem duidelijk articulerend hele volzinnen produceren. Al snel kreeg ik de man in beeld en werd ik frontaal geconfronteerd met wat ik een tijdje geleden veilig schuin van achteren ook al had gezien: een bellende mens met deze keer niet de uiteinden van een fietsstuur, maar in iedere hand een tas en twee nauwelijks zichtbare zwarte draadjes in zijn oren. De man was temidden van alle andere treinverlaters volledig in zichzelf gekeerd veel te luid aan het praten en drukke gebaren aan het maken. Zijn ontzettend onnozele gelaatsuitdrukking deed de rest: ik was opeens volledig wakker en werd me snel bewust van een ontembare irritatie. Een klein visueel detail: de man hield tijdens het luisteren zijn mond, maar hij vergat helaas deze lichaamsopening tijdens de korte stiltemomentjes te sluiten. Als ik even van te voren niet een aantal volzinnen uit zijn mond had horen komen, dan zou ik een IQ score van zo rond de 75 hebben geschat…

Nu alles aan het begin van de avond weer een beetje rustig is in mijn hoofd, kan ik vermelden dat ik tijdens dit soort niet-plezante momenten bijna nooit aan geweld denk. De enige fysieke reactie is vaak een licht meewarig heen en weer schudden van mijn hoofd, in de ijdele hoop oogcontact te krijgen met het empatisch en sociaal gestoorde zoogdier op twee benen.

Ik kan nog wel een tijdje doorgaan met het onder woorden brengen van deze twee weinig verheffende ontmoetingen die ik vandaag had, maar het vuur is gelukkig gedoofd.

Eén ding weet ik zeker. Vanaf nu kan ik iedere luid bellende malloot tegemoet treden met twee pretoogjes en een enigszins mysterieus glimlachje.